Beperkt onderzoek naar effect internet op de economie

Wat zijn de aard en omvang van de economische activiteiten op internet in Nederland? Die relevante vraag stelde Google aan de Boston Consulting Group. Het antwoord stelt wat teleur.

Met commentaar van:

"Google heeft The Boston Consulting Group de opdracht gegeven een onafhankelijk onderzoek te doen naar de huidige waarde van de interneteconomie in Nederland, de onderliggende drijvers voor die waarde, hoe we het doen in vergelijking met andere landen en hoe dit mogelijk kan veranderen in de toekomst. Google wil het Nederlandse bedrijfsleven helpen zich sterker online te profileren en internet te gebruiken om te groeien", aldus de website Impact van Interned waarop het rapport staat (ook naast dit artikel).

De belangrijkste uitkomst van de Boston Consulting Group: de online economie draagt direct meetbaar 24,3 miljard euro per jaar bij aan het bruto nationaal product (bbp) van Nederland. Dat is minder dan vijf procent van het totaal, en daarmee lager dan in bijvoorbeeld Engeland en Zweden.

De 'interneteconomie' bestaat voor de helft uit online aankopen van consumenten. Naast die 12 miljard komt de andere helft van bedrijfs- en overheidsinvesteringen en export die BCG samen becijfert op eveneens 12 miljard:
* ruim 7 miljard aan investeringen, inclusief bijvoorbeeld infrastructuur door telecombedrijven;
* 4,6 miljard overheidsinvesteringen;
* 500 miljoen aan netto export (9,7 miljard export tegen 9,2 miljard import).

Helaas zijn deze drie elementen nauwelijks nader gespecificeerd. En is dat wel interneteconomie? Immers, bijvoorbeeld de overheidsinvesteringen betreffen ook aanschaf van pc's en Windows licenties. En doorvoer van hardware via de haven van Rotterdam wordt ook meegeteld. Bij die traditionele metingen kun je vraagtekens plaatsen.

Het percentage van 4,3 procent van Nederland ligt lager dan van Engeland (7,2 procent) en Zweden (6,6 procent). Dat is te wijten aan het gemiddeld lage bedrag, 1.500 euro per jaar, dat Nederlandse consumenten online bestellen.

In 2015 zal dat percentage in Nederland 5,9 procent zijn (41 miljard euro), en bij voortvarende groei 6,8 procent (47 miljard). Online consumptie verdubbelt ruimschoots binnen vijf jaar, naar 25 tot 30 miljard euro, en gaat daarmee nog zwaarder wegen in de 'interneteconomie' zoals BCG die schetst.

Invloed buiten het bbp-effect

BCG noemt ook indirecte effecten:
* 8 miljard euro aan offline aankopen met online oriëntatie vooraf;
* Gratis toegang tot informatie: van de top 50 bezochte sites is 90 procent Nederlands;
* Internet biedt werk aan zo'n 110.000 personen die 30 miljard euro omzet genereren;

Een groot aantal andere indirecte belangrijke bijdragen aan de economie in de vorm van bijvoorbeeld efficiencywinst door internetbankieren en het inkopen via internet, thuiswerken,wordt wel genoemd en kwalitatief beschreven, soms vaag gekwantificeerd uit andere onderzoek, maar is niet gekwantificeerd in de vorm van bijdragen aan de economie. In de inleiding zegt BCG wel:"In dit rapport kwantificeren we ondermeer de bijdrage van het internet aan de Nederlandse economie."

Maar juist de indirecte bijdragen zouden zo boeiend zijn om een goed beeld te krijgen van de invloed. In plaats daarvan komt BCG met de bekende eigen maatstaven voor een internationale vergelijking, samengebald in de 'e-Intensity Index'. Nederland zou daarin volgens BCG vijfde staan na Denemarken, Zuid-Korea, Japan en Zweden.

Nederland, meent BCG, is sterk in beschikbaarheid van internet (vierde) en betrokkenheid (derde) ,maar staat lager met bestedingen (achtste). Voor behoud van die vierde plek moet Nederland volgens BCG wel blijven investeren in glasvezel naar woningen en mobiel breedband. Zo is Flevoland de beste online provincie dankzij veel glasvezel. Wat dat oplevert is niet nagegaan.

Wel plaatst BCG wat discutabele argumenten:
* MKB-bedrijven die online actief zijn genereerden afgelopen jaren 3 procent groei, offline bedrijven geen groei. Of er ook een oorzakelijk verband is, wordt niet onderzocht
* BCG stelt dat LinkedIn en Cisco hun Europese hoofdkantoor in Amsterdam vestigden vanwege de nabijheid van het Ams-IX knooppunt. Het is zeer de vraag of dat exclusief een (belangrijke) reden is. BCG noemt juist niet een aantal datacenters die wellicht vanwege internetknooppunten in Nederland staan zoals dat van opdrachtgever Google in Groningen

Volgens Marty Smits, algemeen directeur van, en partner in BCG, heeft zijn bureau het kwantificeren van bijdragen zoals productiviteits- en efficiencywinst om de volgende redenen nagelaten: "We hebben het bewust beperkt vanwege de internationale vergelijkbaarheid. Met de directe bijdragen zoals e-commerce kun je landen gaan vergelijken en ook iets zeggen over de positie van landen ten opzichte van elkaar en de potentie van, in dit geval, Nederland. Ook kun je vele andere effecten van internet die we aanstippen in de ringen rondom de directe bijdragen aan het bbp niet toerekenen aan het bbp."

Belang van Google

BCG noemt online criminaliteit en angst ervoor als negatieve invloeden van internet, zoals wellicht tijdverlies door twitteren, facebooken, veel frequenter e-mail dan noodzakelijk of tweedehands handel die de aankoop van nieuwe producten kan remmen. De omvang van Marktplaats is overigens niet meegerekend, want onbekend volgens BCG. Ook mobiel internet komt er karig af.

Smits vindt het wat overdreven om genoemde diensten een eventueel negatieve invloed toe te dichten: "Twitter wordt ook gebruikt door bedrijven voor ondermeer marketing. En er is nooit een negatief effect op de consumentenbestedingen aangetoond van tweedehands online handel. Voor een deel is dat ook vervanging van ruilhandel die er altijd al was."

De positieve effecten op de economie van bijvoorbeeld zoekdienst Google komt in het onderzoek niet voor, evenmin als de ongeveer half miljard aan reclame die Google tot grootste reclamebedrijf in Nederland maakt (groter dan Telegraaf en RTL bijvoorbeeld). Voor Google Nederland is het onderzoek belangrijk om het potentieel voor de Nederlandse economie aan te tonen, vooral voor het midden- en kleinbedrijf. En die activiteit moet omhoog, inclusief het adverteren.

BCG heeft ruim 700 MKB-bedrijven vragen gesteld. Bijna de helft (46 procent) is intensief met internet in de weer naar eigen zeggen, voor verkoop en marketing. Nog eens bijna 30 procent is passief met een website, een kwart heeft geen online uithangborden. Belangrijk voor Google: 20 procent adverteert bij zoekdiensten, tegen ruim 60 procent in Engeland. Ook laat maar 20 procent online commentaar toe van klanten, tegen ruim 50 procent in Engeland. Tien procent twittert, van de Britse bedrijven 20 procent.

Aardige voorbeelden

Immers, volgens BCG doen Nederlandse bedrijven te weinig met internet qua inkoop, marketing en verkoop. 'Slechts' 37 procent van de bedrijven koopt online in, en 22 procent verkoopt via het net. Loopt het bedrijfsleven haar 'achterstand' in, dan gaat het gepaard het meer online reclame en daarvan leeft Google.

Het beeld ontstaat dat vooral consumerend Nederland de economische invloed van internet draagt met aankopen. Grote mondiale bedrijven, merkt BCG op, heeft Nederland niet in de internetsector.

Op de website staat niettemin een aantal boeiende voorbeelden in videofilmpjes van een paar minuten vervat. Het gaat om klanten van Google Adwords in Nederland die ook in het rapport aan bod komen. (Ze staan op YouTube van Google en na het afspelen krijg je aanbevelingen voor andere films die niets met het onderzoek van doen hebben.) Ook hier is gekozen voor e-commerce al staan er behalve leveranciers van cadeaus, bloemen en taarten ook boeiende voorbeelden bij van internationale leveranciers van therapie, taallessen en spellen:

* Spil Games: Spelletjes
* Myngle: online taallessen
* Interapy: online psychische behandeling

* Bloemen.net/ in Middelharnis
* Yoursurprise in Zierikzee
* Gefelicitaart: Taarten leveren

Uit een veelheid van bronnen strooit BCG nog met allerhande cijfers van mogelijk economische invloeden, maar tijd en geld ontbraken waarschijnlijk om die nader te onderzoeken en te duiden. Het is natuurlijk ook een enorme kluif om al die indirecte invloeden eens goed te onderzoeken. Daar is het wachten dus nog op.

Gepubliceerd

10 mei 2011

Wat vinden de experts?

10 mei 2011

Goed verhaal, maar vraagtekens blijven

Een aantal opmerkingen

* De 'aan het Internet gerelateerde investeringen, bijvoorbeeld kapitaalsinvesteringen van telecombedrijven' ter hoogte van €7,2 miljard lijken mij idioot hoog en zeker geen bijdrage aan de interneteconomie. €7,2 miljard is bijv. vergelijkbaar met de totale balanswaarde van Property, Plant & Equipment van KPN (en dat is inclusief hun buitenlandse mobiele netten).

Dan is of een zeer fors deel van de investeringen intern bij het bedrijfsleven (netwerken, hardware, software) of het noemen van de infrastructuurinvesteringen. Men noemt hier Gartner als bron, maar hoeveel van de aanschaf van IT er nu wordt toegerekend aan internet is niet precies duidelijk.

* Het Nederlandse bedrijfsleven is bijvoorbeeld een befaamd grote consument van 'netwerkpoorten' (maat voor netwerkhardware) in de Europese rangordes staat Nederland voor de grote Zuid-Europese landen (Italië, Spanje). Per capita zitten we aanzienlijk boven Frankrijk en Duitsland en is van de grote landen alleen Engeland vergelijkbaar. (van de kleinere landen zie je per capita ook Scandinavië en de Alpenlanden altijd hoog scoren op 'netwerkpoorten', maar niet zo hoog als Nederland).

* Volgens de regels van de nationale rekeningen hoort bijvoorbeeld tweedehands verkoop niet te worden opgeteld bij het bbp. Dus de omzet die wordt gedraaid via transacties van Marktplaats.nl / eBay is geen onderdeel van de interneteconomie, zolang het geen nieuw geproduceerde producten en diensten betreft. Slechts de door Marktplaats / eBay geïncasseerde commissies / veilkosten zijn onderdeel van het bbp.

Dit geldt bijv. op gelijke wijze voor de handel in huizen, tweedehands auto's of aandelen. (De PC-Dumpdagen van Luc Sala waren vroeger bijv. heel groot qua omzetten. Maar ook daar zat veel tweedehands tussen.)

Dus dit zit niet in die € 24 miljard. Alleen al bij Marktplaats gaat het om meer dan € 5 miljard.

* En het is mij ook niet duidelijk hoe dat in de berekening voor Zweden en het VK zit, omdat BCG de bronnen niet al te scherp formuleert. CBS, OECD en Eurostat zie ik staan en die zijn meestal wel coherent. Bij andere organisaties bestaat de neiging om naar absolute handelsvolumes te kijken en niet naar de voor het bbp relevante toegevoegde waarde.

Iets dergelijks is klassiek bij import/export. Ik zie bijvoorbeeld in één van de afbeeldingen wel de grote doorvoer genoemd worden van computer hardware, maar het is niet duidelijk of dit assemblage betreft of het totale volume. Het kan gaan om grote doorvoervolumes met een lage marge en toegevoegde waarde.

* Er staat een terechte opmerking over onze 'bricks & mortar' retailinfrastructuur. In Nederland hebben wij bijvoorbeeld ook niet zoveel 'Big Box' winkels (Heidewinkels / Outlet Malls). Daar is dan deels een lokale regulering voor aan te wijzen. Maar men moet bij geografisch 'minder volle' landen ook kijken naar dat soort aspecten. Bestellen via postorder werd eerst groot in de VS. In Nederland zijn de reisafstanden naar goed geoutilleerde binnensteden qua winkelbestand erg kort.

* Ik ben zeer nieuwsgierig naar de kwantitatieve effecten van bijvoorbeeld internetbankieren,m mar dit soort aspecten wordt alleen genoemd met bekende getallen over participatie.

Massale adoptie van deze wijze bankieren heeft als klassiek bijeffect dat de forse kosten die vroeger werden gemaakt bij het intypen en de gegevensverwerking in het bancaire apparaat worden verplaatst naar de eindgebruiker. Zo'n kostenverlaging jaagt, net als doe-het-zelven, de maatschappelijke efficiëntie op, maar leidt wèl tot een krimp van het bbp! Dat is nl. diseconomiseren.

* Nog iets om eens te onderzoeken: een deel van de macro-economische groei in Nederland is de afgelopen twee decennia op conto gekomen van het omhoog schieten van de participatie van vrouwen in de economie, waardoor er tegelijk met het verminderen van huishoudelijke inspanningen meer behoefte aan diensten als creches etc. optreed. In het VK en Zweden is buitenshuis werken door vrouwen echter nog veel groter, terwijl we hier nog steeds erg veel vrouwen parttime zien werken, waardoor fysiek winkelen voor de dagelijkse behoeften nog goed te doen is.

* Een vergelijkbaar verhaal over 'efficiëntie' geldt bijv. al jaren voor de telecommunicatiekosten. Lage telecomkosten maken de maatschappij efficiënter, en leiden tot verhogen de koopkracht, maar verlagen de sectorbijdrage aan het bbp.

* De schets waarmee Nederland met het VK wordt vergeleken, indiceert daar een veel grotere intensiteit op vrijwel alle vlakken van het MKB. Het is bekend dat Engeland (de rest in het VK is economisch veel zwakker) één van de weinige landen is met een substantieel dienstenexportoverschot.

Taal zal daar zeker ook toe bijdragen. Dat speelt vermoedelijk zeer sterk bij zoekmachineoptimalisatie en -advertenties. Engelsen moeten daar stevig in investeren om zichtbaar te zijn vanwege de online aanwezigheid van Amerikanen, Canadezen, Australiërs, Nieuw-Zeelanders en Zuid-Afrikanen, maar ook alle internationaal gerichte bedrijven met Engelstalige corporate websites.

* Het is jammer dat in dit onderzoek online-betalen via iDeal wordt vergeleken in een kader met Duitsland. Ik zou bijzonder graag hebben geweten waar het grote verschil van Nederland met Engeland uit voortkomt, want qua bestellingen verschillen NL en VK niet zo sterk.

* Website commentaar van klanten en bedrijfsblog lijkt mij wel een typische voor ondernemerscultuur. Daar is men in Nederland niet zo sterk in.

* Vanuit economisch perspectief is het ook van belang om te beseffen dat Nederland in de jaren '80 en begin '90 al op grote schaal zakelijke inkoopactiviteiten uitrolde via EDI. Inkopen via internet zegt mij dus niet zoveel als er niet een vergelijking wordt gemaakt met inkopen via EDI-netwerken.

Mogelijk is het lanceren van maatschappijbrede e-facturering in Nederland ook een oorzaak van lage betaalvolumes, want dan loopt de uiteindelijke betaling via het bancaire circuit en niet direct via de website.

* De e-Intensity index per provincie is op zich interessant. Eind jaren '90 was er nog een extreem sterke correlatie van internetintensiteit in algemene zin met de intensiteit van vestigingen en populatie van het Hoger Onderwijs. Dat lijkt nu niet geheel en al meer het geval (Limburg erg laag. Zeeland en Drente ook laag, maar Friesland en Overijssel bijv. al hoger en Flevoland het hoogst).

Maar dan moet ik hun Intensiteitsindex in meer detail snappen, om precies te begrijpen welke factoren daarvoor de oorzaak zijn.

* In het algemeen lijkt mij dit echter een goed doortimmerd verhaal, zolang je maar in het achterhoofd houdt dat hoge bestedingen soms juist een signaal kunnen zijn van het ontbreken van efficiënte alternatieven in andere landen en dat daarmee de opportuniteitskosten voor het Nederlandse MKB gewoon anders liggen.

* De beleidsvraag of er een extra stimulans moet komen om meer met internet te doen voor het Nederlandse MKB dient namelijk wel naar die opportuniteitskosten te kijken.

Er is pas echt iets 'problematisch' als het Nederlandse bedrijfsleven door lage activiteit in de 'interneteconomie' zelf op een structureel hoger kostenniveau functioneert, of structureel minder producten en diensten via het internetkanaal verhandelt en exporteert. Voor een zeer sterk export gedreven economie als de Nederlandse is vooral dat laatste een potentieel issue.

Wat is jouw mening?

 
De aanmelding is succesvol afgerond.

Je ontvangt een e-mailbericht met instructies om je registratie te bevestigen. Zonder de bevestiging wordt je registratie niet verwerkt.

Nieuwsbrief ontvangen?

Ja, stuur mij de nieuwsbrief. We gaan zorgvuldig met je gegevens om. Je krijgt ook gelijk toegang tot alle plusartikelen.

 
Netkwesties © 1999/2016. Alle rechten voorbehouden. Privacyverklaring
1
0